Wijziging van het Verzamelbesluit pensioenen

Directoraat-generaal Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek

Besluit van 6 februari 2025, nr. 2025-2109

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit wijzigt het Verzamelbesluit pensioenen. De wijziging betreft een goedkeuring met betrekking tot de premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid.

ARTIKEL I

Het Verzamelbesluit pensioenen wordt als volgt gewijzigd:

A.

Aan onderdeel 1.1. (Overzicht wijzigingen) wordt een alinea toegevoegd, luidende:

Dit besluit is gewijzigd bij besluit van (6 februari 2025), nr. 2025-2109, (Stcrt. 2025-5878). De wijziging betreft de invoeging van een nieuw onderdeel 6. onder vernummering van de onderdelen 6. tot en met 8. tot 7. tot en met 9. In onderdeel 6. (nieuw) is een goedkeuring opgenomen met betrekking tot de premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid.

B.

Onder vernummering van de onderdelen 6. tot en met 8. tot 7. tot en met 9., wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

6. Overgangsrecht artikel 38c Wet LB

In de praktijk is in de verzekeringsovereenkomst tussen de werkgever en de verzekeraar veelal vastgelegd dat een arbeidsongeschikte (ex-)werknemer een rechtstreekse vordering op de verzekeraar heeft op voortzetting van de betaling van overeengekomen premiebedragen voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Daarbij is in bepaalde situaties overeengekomen dat de pensioenregeling, waarin een (ex-)werknemer deelneemt op het moment dat hij ziek wordt, bepalend is voor de hoogte en voortzetting van deze premiebedragen. In verzekeringstermen is sprake van een uitlooprisico; het risico dat wordt gedragen door de verzekeraar van de pensioenregeling waarin de werknemer deelnemer was op de eerste ziektedag. Dus als de werkgever de pensioenregeling onderbrengt bij een andere verzekeraar, is het uitlooprisico voor de oude verzekeraar. Deze afspraken zijn bedoeld om werknemers die ziek zijn te beschermen tegen inkomensverlies bij onder meer collectieve beëindigingen.

Artikel 38c Wet LB voorziet in overgangsrecht met betrekking tot de voortgezette premiebetaling in geval van arbeidsongeschiktheid. Met dit overgangsrecht wordt een reeds bestaande voortgezette premie-inleg gerespecteerd voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid die bestond voor de inwerkingtreding van de WTP. Daarnaast wordt ook een voor 1 januari 2029 ingegane voortgezette premie-inleg gerespecteerd voor pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid op grond van een pensioenregeling waaraan op grond van artikel 38q Wet LB is deelgenomen. Dit is alleen mogelijk als de werknemer niet al deelnemer is geworden aan een pensioenregeling waarop hoofdstuk IIB, Wet LB zoals dat geldt vanaf de inwerkingtreding van de WTP, van toepassing is. De premie-inleg mag in deze gevallen uitstijgen boven de fiscaal maximale grens van artikel 18a, eerste lid, Wet LB. Indien een pensioenregeling eenmaal is aangepast aan de WTP en daarna de premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid aanvangt, is het fiscaal niet langer toegestaan om daarbij het oude pensioenstelsel (zoals gold voor 1 juli 2023) toe te passen. Hiermee wordt de pensioenregeling namelijk onzuiver. Dit betekent dat een zieke werknemer die arbeidsongeschikt wordt en die aanspraak kan maken op voorgezette premie-inleg in de oude pensioenregeling die gold op de eerste ziektedag geconfronteerd kan worden met het onzuiver worden van die pensioenregeling.

Met het wetsvoorstel Wet toezeggingen pensioenonderwerpen wordt de Wet LB op dit punt aangepast. De beoogde inwerkingtredingsdatum van het Wetsvoorstel Wet toezeggingen pensioenonderwerpen is 1 januari 2026. Indien pensioenregelingen voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel worden aangepast aan de WTP, is het op grond van de huidige wet niet in alle gevallen fiscaal toegestaan om bij premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid de pensioenregeling te volgen zoals die gold op de eerste ziektedag van de werknemer. Deze uitwerking acht ik ongewenst daarom keur ik met toepassing van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat een premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid kan plaatsvinden in de pensioenregeling die gold op de eerste ziektedag van de werknemer, zonder dat de pensioenregeling onzuiver wordt, ook al is de pensioenregeling van de zieke werknemer inmiddels aangepast naar een pensioenregeling waarop hoofdstuk IIB Wet LB van toepassing is zoals dat geldt na inwerkingtreding van de WTP. Ik merk hierbij op dat artikel 38c, eerste lid, onderdelen b en c, Wet LB en het tweede en derde lid van artikel 38c Wet LB onverkort van toepassing blijven.

Bovenstaande goedkeuring vervalt indien deze in de Wet LB is gecodificeerd.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2023.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 6 februari 2025

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, H.G. Roodbeen Hoofddirecteur Fiscale en Juridische zaken

TOELICHTING

In artikel I, onderdeel A, wordt aan onderdeel 1.1. (Overzicht wijzigingen) een passage toegevoegd ter toelichting van de wijzigingen via dit besluit.

De in artikel I, onderdeel B, opgenomen wijziging betreft de invoeging van een nieuw onderdeel 6. In verband met de toevoeging van een nieuw onderdeel 6. worden de onderdelen 6. tot en met 8. vernummerd tot 7. tot en met 9. In onderdeel 6. nieuw is een goedkeuring opgenomen met betrekking tot premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid.

Artikel II regelt de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wijziging(en). Deze datum wordt gesteld op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2023. Dit besluit is na de inwerkingtreding terstond uitgewerkt.

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, H.G. Roodbeen Hoofddirecteur Fiscale en Juridische zaken

Naar boven