Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 mei 2020, nr. WJZ/ 20087172, houdende wijziging van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 in verband met de invoering en openstelling van een subsidiemodule voor het tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op artikel 33, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2014, L 149);

Gelet op artikel 3, eerste en derde lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en artikel 2.3 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 2.16 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Voor de toepassing van het derde lid geldt de voorwaarde dat door de ontheffing geen afbreuk wordt gedaan aan de activiteit waarvoor subsidie is verleend, het doel van de subsidie of de voorwaarden van de subsidieverstrekking, niet indien aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet kan worden voldaan uitsluitend als direct gevolg van de crisis in verband met COVID-19.

B

Aan Hoofdstuk 3 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 3.11. Tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19

Artikel 3.11.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

controleverordening:

Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PbEU L 343);

eigenaar van een vissersvaartuig:

degene te wiens naam het vissersvaartuig in het visserijregister, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998, is geregistreerd;

gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen:

gegevens als bedoeld in artikel 4, twaalfde lid, van de controleverordening.

Artikel 3.11.2. Subsidiabele activiteiten
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig dat behoort tot het vlootsegment MFL1 of MFL2 met een lengte van ten minste twaalf meter voor de duur van het ten minste een en ten hoogste vijf maal een volledige ononderbroken week stopzetten van visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig.

  • 2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verstrekt, indien de tijdelijke stopzetting:

    • a. plaatsvindt tussen 16 maart 2020 en een bij besluit van de minister te bepalen datum als gevolg van de crisis in verband met COVID-19; en

    • b. nog niet is afgerond op het moment van aanvraag van de subsidie.

  • 3. Als een volledige ononderbroken week als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd zeven achtereenvolgende dagen, van 0.00 uur van de eerste dag tot en met 23.59 uur van de zevende dag.

Artikel 3.11.3. Hoogte subsidie
  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt het aantal volledige ononderbroken weken dat de visserijactiviteiten met het vissersvaartuig daadwerkelijk zijn stopgezet, vermenigvuldigd met:

    • a. € 2.200,–, indien het een vissersvaartuig met een motorvermogen tot 260 pk betreft;

    • b. € 4.400,–, indien het een vissersvaartuig met een motorvermogen van 260 pk tot en met 300 pk betreft;

    • c. € 8.800,–, indien het een vissersvaartuig met een motorvermogen van meer dan 300 pk betreft.

  • 2. Artikel 1.3 is niet van toepassing op deze titel.

Artikel 3.11.4. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.11.5. Afwijzingsgronden
  • 1. De minister besluit afwijzend op een aanvraag, indien:

    • a. het vissersvaartuig niet is geregistreerd in het visserijregister, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998;

    • b. uit de logboekgegevens niet blijkt dat het vissersvaartuig in de twee kalenderjaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag gedurende ten minste 120 dagen visserijactiviteiten op zee heeft verricht;

    • c. er ten aanzien van het vissersvaartuig al een subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, eerste lid, is verleend.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt, in het geval het vissersvaartuig minder dan 24 maanden voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag geregistreerd staat in het visserijregister, het minimum aantal dagen dat het vissersvaartuig visserijactiviteiten op zee moet hebben verricht berekend naar rato van de periode van 120 dagen in de laatste 24 maanden.

Artikel 3.11.6. Indiening aanvraag tot subsidieverlening

Artikel 3.1.4, aanhef en onderdelen b en g, is niet van toepassing op deze titel.

Artikel 3.11.7. Verplichtingen subsidieontvanger
  • 1. Gedurende de volledige ononderbroken week, bedoeld in artikel 3.11.2, eerste lid, worden alle visserijactiviteiten met het vissersvaartuig stopgezet.

  • 2. Aan het eerste lid is voldaan, indien uit de gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen blijkt dat het vissersvaartuig de haven niet heeft verlaten.

  • 3. Het volgsysteem voor vaartuigen, bedoeld in artikel 9 van de controleverordening, is tijdens de volledige duur van de stopzetting ingeschakeld.

  • 4. Artikel 2.17 is niet van toepassing op deze titel.

Artikel 3.11.8 Subsidievaststelling
  • 1. In afwijking van artikel 2.20, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling gedaan uiterlijk zes weken na de bij besluit van de minister te bepalen datum, bedoeld in artikel 3.11.2, tweede lid.

  • 2. Artikel 3.1.5, aanhef en onderdelen b, c en d, is niet van toepassing op deze titel.

  • 3. De aanvraag tot subsidievaststelling bevat een overzicht van de volledige ononderbroken weken waarin de visserijactiviteiten met het vissersvaartuig zijn stopgezet.

Artikel 3.11.9 Vervaltermijn

Deze titel vervalt op een bij besluit van de minister te bepalen tijdstip, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend.

ARTIKEL II

De tabel in artikel 3, tweede lid, van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de rij van titel 3.2: Jonge vissers wordt in kolom 5 ‘23-12-2020’ vervangen door ‘30-06-2020’.

2. De tweede rij van titel 3.5 vervalt.

3. In de rij van titel 3.6: Afzetbevorderingsprojecten wordt in kolom 5 ‘06-07-2020 t/m 18-09-2020’ vervangen door ’02-11-2020 t/m 15-01-2021’.

4. In de rij van titel 3.9: Samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij wordt in kolom 5 ‘06-07-2020 t/m 18-09-2020’ vervangen door ’02-11-2020 t/m 15-01-2021‘ en in kolom 6 ‘€ 6.000.000’ vervangen door ‘€ 3.000.000’.

5. De rij van titel 3.10 vervalt.

6. Onder de rij van titel 3.9 wordt een rij ingevoegd, luidende:

Titel 3.11 Tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten vanwege COVID-19

3.11.2

   

15-05-2020 t/m een bij besluit van de minister te bepalen datum

€ 9.000.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 13 mei 2020

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

TOELICHTING

1. Inleiding

Met deze regeling wordt een subsidiemodule toegevoegd aan de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (REES) als gevolg van de uitbraak van COVID-19. Het betreft een subsidiemodule voor de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten.

2. Aanleiding en doel

De Europese Unie en de Nederlandse overheid willen met steungelden uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (hierna: EFMZV) op basis van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2014, L 149) (hierna: verordening 508/2014) bijdragen aan de verwezenlijking van het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid, zoals is verwoord in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU 2013, L 354) (hierna: verordening 1380/2013).

De crisis van het coronavirus (COVID-19) heeft de lidstaten van de Europese Unie op een plotse en ongeziene manier getroffen, met potentieel zeer grote gevolgen voor de samenleving en de economieën. De crisis verstoort de groei in de lidstaten omdat de economische activiteit drastisch afneemt.

Verordening 508/2014 is gewijzigd om lidstaten in staat te stellen tijdelijke stopzettingen van visserijactiviteiten te financieren om de gevolgen van de crisis van het coronavirus op te kunnen vangen1. In afwijking van artikel 65, negende lid, eerste volzin, verordening 1303/2013 is in verordening 508/2014 bepaald dat uitgaven subsidiabel zijn met terugwerkende kracht tot 1 februari 20202.

De afzet van Nederlandse visproducten is voor een deel afhankelijk van het buitenland. Door de lockdown in diverse landen zijn verschillende buitenlandse afzetmarkten al komen te vervallen. Vanaf maandag 9 maart 2020 heeft het Nederlands kabinet vergaande landelijke gezondheidsmaatregelen getroffen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus. Deze gezondheidsmaatregelen hebben enorme consequenties voor de inkomsten voor de visserij, in het bijzonder doordat eet- en drinkgelegenheden vanaf zondagavond 15 maart 2020 hun deuren moesten sluiten. Naar aanleiding van de Nederlandse maatregelen is ook de binnenlandse afzetmogelijkheid voor de visserij komen te vervallen. De eigenaren van vissersvaartuigen zien hun inkomsten grotendeels teruglopen, terwijl een groot deel van hun vaste lasten intussen gewoon doorlopen. Deze inkomsten kunnen bovendien moeilijk worden ingehaald wanneer de COVID-19-uitbraak achter de rug is. Om de eigenaren van vissersvaartuigen snel een helpende hand te bieden, heeft het kabinet besloten om gebruik te maken van de mogelijkheid tot financieren van tijdelijke stopzettingen op grond van artikel 33, eerste lid, onder d, verordening 508/2014 om de economische gevolgen voor de eigenaren van vissersvaartuigen die door de gezondheidsmaatregelen zijn getroffen te beperken.

Onderhavige subsidiemodule voorziet in subsidie hiervoor.

3. Opzet van de subsidiemodule Tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19 (artikel I, onderdeel b)

3.1 Algemeen

Titel 3.11 wordt toegevoegd aan hoofdstuk 3 van de REES. In deze titel is de subsidiemodule inzake de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten als gevolg van het COVID-19 virus opgenomen.

3.2 Doel van de subsidie

Artikel 33 van verordening 508/2014 geeft de mogelijkheid tot financiering van tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten, indien een dergelijke stopzetting het rechtstreekse gevolg is van bepaalde instandhoudingsmaatregelen, voorzien in bepaalde Unie- of nationale visserijbeheerplannen, of voortvloeit uit de niet-verlenging van partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij of protocollen daarbij. Nederland heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt in zijn Operationeel Programma en financiert deze typen tijdelijke stopzettingen dus niet in deze programmaperiode. In artikel 33, eerste lid, aanhef en onder d, verordening 508/2014 is bepaald dat lidstaten tijdelijke stopzettingen kunnen financieren als de tijdelijke stopzettingen het gevolg zijn van het coronavirus.

Het doel van de subsidie in deze subsidiemodule is om uitvoering te geven aan artikel 33, eerste lid, aanhef en onder d, verordening 508/2014 en de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten met vissersvaartuigen te steunen. Subsidiëring is enkel aan de orde, indien deze visserijactiviteiten tijdelijk worden stilgelegd tussen 16 maart 2020 en een bij besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) te bepalen datum als gevolg van de door het Nederlands kabinet getroffen gezondheidsmaatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus. De datum van 16 maart 2020 wordt gehanteerd, omdat vanaf die datum de eet- en drinkgelegenheden gesloten zijn waardoor in navolging van buitenlandse afzetmarkten ook de binnenlandse markt voor visserijproducten grotendeels is weggevallen.

Vanuit het belang van de voedselvoorziening is het niet wenselijk dat alle vaartuigen gelijktijdig stilliggen. De erkende producentenorganisaties3 voor visserijproducten kunnen hierin een faciliterende rol hebben door een gespreide aanvoer te borgen.

De periode waarbinnen de vissersvaartuigen tijdelijk stil kunnen liggen hangt samen met het opheffen van voor de visserij relevante nationale maatregelen om de verder verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Op dit moment is nog niet bekend wanneer het kabinet de getroffen gezondheidsmaatregelen zal opheffen en de eet- en drinkgelegenheden weer open kunnen gaan. In deze regeling is opgenomen dat de einddatum van de periode waarbinnen visserijactiviteiten tijdelijk stopgezet kunnen worden als gevolg van COVID-19, bij een besluit van de minister wordt bepaald om daarmee aan te kunnen sluiten bij het moment dat het kabinet de beslissing neemt om de sluiting van de eet- en drinkgelegenheden te beëindigen.

De periode waarbinnen de vissersvaartuigen tijdelijk stil kunnen liggen is tot uitdrukking gebracht in artikel 3.11.2, eerste en tweede lid.

3.3 Subsidiabele activiteiten

Subsidie wordt ingevolge artikel 3.11.2, eerste lid, verstrekt voor de stopzetting van visserijactiviteiten met een vissersvaartuig. Om voor subsidie in aanmerking te komen, mag een aanvraag voor subsidieverlening betrekking hebben op maximaal vijf weken (artikel 3.11.2, eerste lid). Het maximum van vijf weken is ingegeven door het belang te voorkomen dat het subsidieplafond al wordt bereikt door het verstrekken van subsidie aan een beperkt aantal vaartuigen.

Het gaat voorts om volledige weken, dat wil zeggen zeven aaneengesloten gehele dagen (artikel 3.11.2, derde lid). Met vissersvaartuigen worden doorgaans namelijk slechts gedurende een gedeelte van een volledige week visserijactiviteiten uitgevoerd en voorkomen moet worden dat enkel het stopzetten van visserijactiviteiten wordt gesubsidieerd op dagen waarop die activiteiten toch niet zouden plaatsvinden.

In paragraaf 3.2 van de toelichting is vermeld dat in de regeling is opgenomen dat de subsidie uitsluitend wordt verstrekt als de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten met een vissersvaartuig plaatsvindt tussen 16 maart 2020 en een bij besluit van de minister te bepalen datum (artikel 3.11.2, tweede lid, onder a).

Daarnaast is in de regeling bepaald dat de subsidie uitsluitend wordt verstrekt als op het moment van de aanvraag het vissersvaartuig nog niet het volledige aantal weken waarvoor de subsidie wordt aangevraagd heeft stilgelegen (artikel 3.11.2, tweede lid, onder b). Deze bepaling volgt uit artikel 65, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU 2013, L347), waarin staat dat concrete acties die fysiek voltooid zijn of volledig ten uitvoer zijn gelegd voordat de financieringsaanvraag in het kader van het programma door de begunstigde bij de managementautoriteit is ingediend, niet voor steun uit de fondsen worden geselecteerd, ongeacht of alle betrokken betalingen door de begunstigde van de steun zijn verricht.

3.4 Begunstigden

Begunstigden van deze subsidie zijn de eigenaren van vissersvaartuigen, die zijn ingeschreven in het visserijregister, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 (artikel 3.11.2, eerste lid). In het visserijregister wordt per vissersvaartuig één eigenaar ingeschreven, ook indien het vissersvaartuig meerdere eigenaren heeft. Het is die eigenaar aan wie de subsidie wordt verleend en betaald. Is er sprake van meerdere eigenaren, dan bepalen hun onderlinge verhoudingen in welke mate de mede-eigenaren profiteren van de subsidie. Het gaat voorts om vissersvaartuigen die behoren tot het vlootsegment MFL1 of MFL2 en met een lengte over alles van twaalf meter of meer, omdat deze schepen dienen te zijn uitgerust met een volgsysteem voor vaartuigen (hierna VMS-systeem).

Artikel 33 van verordening 508/2014 biedt ook de mogelijkheid om de vissers, die werkzaam zijn op het vissersvaartuig, te subsidiëren voor de periode waarin de visserijactiviteiten met het vissersvaartuig worden stopgezet. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Wel zijn de arbeidskosten deels meegenomen in het vaste bedrag dat wordt vergoed aan de eigenaar van het vissersvaartuig voor het stopzetten van de visserijactiviteiten. Dit geeft de ruimte voor de eigenaren om de vissers die werkzaam zijn op zijn vissersvaartuig te betalen gedurende de stopzetting van de visserijactiviteiten, iets waar – afhankelijk van de contractuele relatie tussen eigenaar en visser – ook een verplichting toe kan bestaan.

3.5 Hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie wordt bepaald door het aantal weken dat daadwerkelijk de visserijactiviteiten met het vissersvaartuig zijn stopgezet te vermenigvuldigen met een vast bedrag per week (artikel 3.11.3, eerste lid). Deze methode heeft het voordeel dat er bij voorbaat duidelijk is voor de aanvragers welk bedrag zij zullen ontvangen en dat de uitvoering wordt vergemakkelijkt, zowel voor de aanvrager als voor het bevoegde gezag, omdat er geen gemaakte subsidiabele kosten behoeven te worden onderbouwd en gecontroleerd. Om die reden is artikel 1.3 van de REES, inzake de subsidiabele kosten, buiten toepassing verklaard voor onderhavige subsidiemodule (artikel 3.11.3, tweede lid). De berekening van het vaste bedrag per week is gebaseerd op een rapport van Wageningen Economic Research, waarin de kosten en baten per week van Nederlandse vissersvaartuigen in beeld zijn gebracht.4 Hierbij gaat het om de op het moment van opstellen van deze regeling meest recente beschikbare cijfers van de jaren 2017 en 2018. Op basis van de verschillende categorieën van vaartuigen die in het rapport zijn opgenomen is gekozen om in deze regeling drie groepen te onderscheiden gebaseerd op het geregistreerde motorvermogen voor de voortstuwing (uitgedrukt in pk in plaats van kW): kotters met een motorvermogen tot 260 pk (< 191 kW), kotters met een motorvermogen van 260 pk tot en met 300 pk (>= 191 kW <= 221 kW) en kotters met een vermogen van meer dan 300 pk (> 221 kW).

Voor elke groep is een vergoeding van een vast bedrag per week bepaald.

Het vaste bedrag per week is afgeleid van de kosten per kalenderweek om visserijactiviteiten uit te voeren met een vissersvaartuig, zoals opgenomen in het rapport. Het rapport maakt daarbij onderscheid tussen vaste kosten en arbeidskosten. Gekozen is om het vaste bedrag te baseren op een optelsom van het merendeel van de vaste kosten en een deel van de normatieve arbeidskosten per kalenderweek. Vaste kosten worden immers gemaakt ongeacht de activiteiten van het vaartuig. Afhankelijk van de contractuele relatie tussen eigenaar en bemanning van het vissersvaartuig kan doorbetaling van de arbeidskosten aan de orde zijn als er geen visserijactiviteiten worden verricht. Gelet hierop is er voor gekozen om de arbeidskosten gedeeltelijk mee te nemen in de berekening van het vaste bedrag; dat biedt de eigenaren de ruimte om de bemanning te betalen bij het stopzetten van visserijactiviteiten.

3.6 Aanvragen voor subsidie, verdeling subsidieplafond en realisatietermijn

Op grond van artikel 3.11.4 wordt het subsidieplafond verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. In artikel 3.11.6 is opgenomen dat een aanvraag niet alle gegevens behoeft te bevatten die worden genoemd in artikel 3.1.4 van de REES, waarin voor alle subsidiemodules in het kader van het EFMZV is bepaald welke gegevens de aanvrager bij een aanvraag moet indienen. Deze gegevens worden gezien het karakter van de subsidie niet als noodzakelijk gezien voor de beoordeling van de aanvraag.

Subsidie wordt verleend voor de maximale duur van tenminste één en ten hoogste vijf maal een volledige ononderbroken week stopzetten van visserijactiviteiten. Mocht op het moment dat de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend niet het volledige aantal weken de visserijactiviteiten zijn stopgezet, dan zal de subsidie worden vastgesteld ter hoogte van het daadwerkelijke aantal volledige weken dat de visserijactiviteiten zijn stopgezet, vermenigvuldigd met het toepasselijke vaste bedrag per week.

3.7 Afwijzingsgronden

Artikel 33 van verordening 508/2014 brengt een aantal beperkingen aan in de potentiële groep vissersvaartuigen ten aanzien waarvan onderhavige subsidie kan worden verleend. In de eerste plaats moet het gaan om vissersvaartuigen die als actief zijn geregistreerd. Hieraan wordt invulling gegeven door te bepalen dat de subsidie wordt geweigerd, indien het vissersvaartuig niet in het visserijregister

is ingeschreven (artikel 3.11.5, eerste lid, onderdeel a). Ingevolge het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 mogen vissersvaartuigen pas in gebruik worden genomen na inschrijving in het visserijregister door de eigenaar en wordt het vaartuig uitgeschreven als het niet meer actief gebruikt wordt als vissersvaartuig.

In de tweede plaats komen alleen vissersvaartuigen in aanmerking waarmee in de twee kalenderjaren voorafgaand aan de datum van indiening van de steunaanvraag gedurende ten minste 120 dagen visserijactiviteiten op zee zijn verricht (artikel 3.11.5, eerste lid, onderdeel b).

In afwijking hiervan is in artikel 33, lid 3bis, van verordening 508/2014 bepaald dat voor steunmaatregelen als gevolg van de COVID-19 uitbraak de eis van 120 dagen evenredig verminderd mag worden voor eigenaren van vissersvaartuigen die, voorafgaand aan de aanvraag, korter dan 2 jaar als actief geregistreerd zijn in het Europese vlootregister. In artikel 3.11.5, tweede lid, is uitvoering gegeven aan deze afwijkingsgrond.

Ten aanzien van de afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 3.11.5, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met het tweede lid, is – teneinde de uitvoeringskosten en de regeldruk te beperken – gekozen om gebruik te maken van de gegevens uit het logboek. De vissersvaartuigen van twaalf meter over alles lang of meer versturen hun visserijlogboekgegevens elektronisch aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Uit de logboekgegevens dient te blijken dat met het vaartuig in 2018 en 2019 gezamenlijk ten minste 120 dagen visserijactiviteiten zijn verricht. Het aantal dagen met visserijactiviteiten wordt bepaald op basis van de vertrek- en aankomstgegevens uit het logboek. Voor vaartuigen die op het moment van indienen van de aanvraag minder dan 24 maanden aaneengesloten staan ingeschreven in het visserijregister wordt het aantal dagen met visserijactiviteiten naar rato van 120 dagen bepaald. Hierbij wordt het aantal kalenderdagen tussen de registratiedatum in het visserijregister en de datum van de aanvraag gedeeld door het aantal dagen van 2 kalenderjaren en vervolgens vermenigvuldigd met 120 dagen. Het aantal dagen met visserijactiviteiten dat met het vaartuig voorafgaand aan de aanvraag is gemaakt wordt vergeleken met het aldus berekende aantal dagen.

Als niet uit de logboekgegevens blijkt dat voldaan is aan de eis van (naar rato) 120 dagen, dan wordt de aanvraag afgewezen. Bij het beoordelen van de logboekgegevens worden de gegevens gebruikt van het vaartuig, ten aanzien waarvan subsidie wordt aangevraagd. Hiervoor is leidend het unieke Europese identificatienummer waaronder het vissersvaartuig in het visserijregister is ingeschreven. Of het vissersvaartuig in deze periode van eigenaar is gewisseld of dat het extern kenteken van het vissersvaartuig is gewijzigd, is daarbij niet relevant.

In de derde plaats wordt een aanvraag op grond van artikel 3.11.5, eerste lid, onderdeel c, afgewezen, indien ten aanzien van het betreffende vissersvaartuig al een subsidie voor het stilliggen in het kader van deze module is verleend. Met deze afwijzingsgrond wordt voorkomen dat een aanvrager meerdere subsidieaanvragen kan doen en op die wijze meer dan het maximum van vijf weken aanvraagt.

3.8 Verplichtingen subsidieontvanger

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van verordening 508/2014 kan steun worden verleend voor de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten. Het vierde lid van artikel 33 bepaalt voorts dat de visserijactiviteiten met het betreffende vissersvaartuig daadwerkelijk moeten worden opgeschort en dat de bevoegde

autoriteit zich ervan vergewist dat het betrokken vissersvaartuig tijdens de periode van de tijdelijke stopzetting alle visserijactiviteiten heeft stopgezet. Aan deze eisen is invulling gegeven in artikel 3.11.7, eerste en tweede lid, waarin is bepaald dat de visserijactiviteiten met het vissersvaartuig moeten worden opgeschort tijdens de volledige weken waarvoor subsidie is verleend, en dat daaraan in elk geval is voldaan als uit de gegevens uit het hiervoor genoemde VMS-systeem blijkt dat het betreffende vissersvaartuig gedurende die week in de haven heeft gelegen. Om deze ambtshalve toetsing mogelijk te maken, is bepaald dat het VMS-systeem op het betreffende vissersvaartuig gedurende de volledige periode van het stopzetten van de visserijactiviteiten moet zijn ingeschakeld (artikel 3.11.7, derde lid). In beginsel geldt deze verplichting al op grond van artikel 9 van de controleverordening, maar dat regime kent daar een aantal uitzonderingen op, bijvoorbeeld dat de zender onder voorwaarden mag worden uitgeschakeld als het vaartuig zich in een haven bevindt. Van deze uitzondering mag dus geen gebruik worden gemaakt gedurende de periode ten aanzien waarvan subsidie wordt verleend.

Indien in voorkomend geval uit de VMS-gegevens onvoldoende blijkt dat het vaartuig gedurende de volledige week in de haven heeft gelegen kan de Minister toestaan dat met aanvullende documenten, zoals een verklaring van de havenmeester, wordt aangetoond dat het vaartuig gedurende de volledige week in de haven heeft gelegen. Deze mogelijkheid ziet met name op de situatie dat voorafgaand aan de publicatie van de regeling al is stilgelegen waarbij de VMS niet de volledige periode heeft aangestaan.

Gezien het feit dat de subsidiehoogte in deze module wordt bepaald op grond van een vast bedrag per eenheid, ontbreekt de noodzaak dat de subsidieontvanger een administratie bijhoudt in de zin van artikel 2.17 van de REES. Die bepaling is dan ook buiten toepassing verklaard voor deze module (artikel 3.11.7, vierde lid).

3.9 Subsidievaststelling

Artikel 2.20, eerste lid, van de REES bepaalt dat een aanvraag tot subsidievaststelling binnen dertien weken na het einde van de subsidiabele activiteiten moet worden ingediend. In afwijking daarvan is in artikel 3.11.8, eerste lid, bepaald dat de aanvraag tot subsidievaststelling kan worden gedaan tot uiterlijk zes weken na de bij het in artikel 3.11.2, tweede lid, bedoelde besluit van de minister te bepalen datum voor de realisatie van de subsidiabele activiteiten.

In paragraaf 3.6 van de toelichting is uitgelegd dat bij een aanvraag niet alle gegevens hoeven te worden aangeleverd die zijn voorgeschreven in het algemene deel van hoofdstuk 3 (artikel 3.11.6). Hetzelfde geldt voor de aanvraag tot subsidievaststelling (artikel 3.11.8, tweede lid). Daarbij is het voldoende dat de subsidieontvanger aangeeft welke volledige weken hij heeft stil gelegen (artikel 3.11.8, derde lid).

4. Ontheffingsmogelijkheid wijzigen uitvoering activiteiten als gevolg van COVID-19 (artikel I, onderdeel A)

Met artikel I, onderdeel A, van deze regeling wordt een nieuw lid toegevoegd aan artikel 2.16 van de REES.

Indien er sprake is van een projectplan, kunnen begunstigden op grond van artikel 2.16, derde lid, REES een verzoek indienen om af te mogen wijken van hun projectplan. De subsidieontvanger dient de activiteiten overeenkomstig dit projectplan uit te voeren. De projecten moeten ook daadwerkelijk worden uitgevoerd binnen de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde realisatietermijn. Met toestemming kan van het projectplan worden afgeweken voor wat betreft de wijze van uitvoering van het project, zij het in beperkte mate. Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de activiteit waarvoor subsidie is verleend, de doelstelling van de subsidie of de voorwaarden van subsidieverstrekking.

Als gevolg van de nationale maatregelen om de verdere verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals het verbod op bijeenkomsten, kunnen geplande (afsluitende) activiteiten niet plaatsvinden. Met name projecten die het einde van de maximale realisatietermijn naderen kunnen hier nadelige gevolgen van ondervinden. Het nieuwe artikellid maakt het mogelijk om voor dergelijke projecten van de voorwaarden van subsidieverstrekking af te wijken door bijvoorbeeld een gepaste overschrijding van de realisatietermijn toe te staan. In het geval dat verzocht wordt om ontheffing voor het vertragen of essentieel wijzigen van het project als direct gevolg van de crisis in verband met COVID-19 moet de verzoeker aan kunnen tonen dat de vertraging of wijziging daadwerkelijk het directe gevolg is van de COVID-19 uitbraak. Indien de feiten die de vertraging of de essentiële wijziging van het project hebben veroorzaakt zijn ontstaan door toedoen van de betrokkene zelf, kan er op grond van artikel 2.16, vierde lid, geen ontheffing worden verleend.

Artikel 2.16 is opgenomen in hoofdstuk 2 van de REES, waarin algemene regels omtrent subsidieverstrekking door de minister zijn opgenomen. Deze algemene regels zijn van toepassing op hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4, titel 4.2 tot en met 4.6, van de REES.

5. Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 (artikel II).

In de tabel van artikel 3 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 is aangegeven in welke periode de diverse subsidiemodules van de REES zijn opengesteld en wat het subsidieplafond bedraagt.

De in artikel II van deze regeling opgenomen wijzigingen in de openstellingsperiode of het subsidieplafond van de subsidiemodules zijn noodzakelijk om gelden beschikbaar te kunnen stellen voor de subsidiemodule voor tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19.

Voor de subsidiemodule Jonge vissers wordt de openstellingsperiode gewijzigd. De openstellingsperiode eindigt eerder dan oorspronkelijk gepland. Er is besloten deze openstellingsperiode te verkorten omdat er in de afgelopen jaren weinig aanvragen zijn ingediend.

Voor de subsidiemodule Aquacultuurinnovatieprojecten komt de openstelling te vervallen. De gelden uit deze subsidiemodule worden beschikbaar gesteld voor een compensatieregeling voor de aquacultuur naar aanleiding van de gevolgen van COVID-19.

Voor de subsidiemodules Afzetbevorderingsprojecten en Samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij wordt de openstellingsperiode gewijzigd. Beide subsidiemodules worden later opengesteld om voldoende uitvoeringscapaciteit te hebben voor de extra subsidiemodules in verband met COVID-19.

Voor de subsidiemodule Samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij wordt ook het subsidieplafond verlaagd. Deze verlaging van het plafond is noodzakelijk omdat de begroting daartoe noopt. De gelden die beschikbaar worden gesteld als gevolg van het verlagen van het subsidieplafond voor de subsidiemodule Samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij worden gebruikt ten behoeve van de subsidiemodule Tijdelijke stopzetting visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19. Als gevolg van de verlaging van het subsidieplafond kunnen voor de subsidiemodule Samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij aanvragen worden ingediend tot het verlaagde subsidieplafond.

Voor de subsidiemodule Investeringen voor toegevoegde waarde van visserijproducten komt de openstelling te vervallen.

De nieuwe subsidiemodule voor de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten vanwege COVID-19 wordt toegevoegd aan de tabel in artikel 3 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020. In de tabel is aangegeven in welke periode aanvragen voor subsidie ingediend kunnen worden en wat de hoogte van het subsidieplafond is voor deze module. Het eindigen van de openstellingsperiode hangt samen met het opheffen van voor de visserij relevante nationale maatregelen om de verdere verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. In deze regeling is opgenomen dat de einddatum van de openstellingsperiode bij een besluit van de minister wordt bepaald om daarmee aan te kunnen sluiten bij het moment dat het kabinet de beslissing neemt om de nationale maatregelen te beëindigen.

6. Staatssteun

Op grond van artikel 8, tweede lid, van verordening 508/2014 zijn de artikelen 107, 108 en 109 betreffende steunmaatregelen van de lidstaten van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) niet van toepassing op betalingen die de lidstaten doen op grond van en in overeenstemming met die verordening en die binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU vallen. De steun die op grond van artikel 33, eerste lid, aanhef en onderdeel d, verordening 508/2014 via onderhavige subsidiemodule gegeven kan worden, valt binnen deze categorie. Deze subsidiemodule voldoet aan en reikt niet verder dan wat de bepalingen van verordening 508/2014 mogelijk maken. De betalingen die op grond van deze subsidiemodule plaatsvinden, dienen ter uitvoering van verordening 508/2014 en het operationeel programma dat gebaseerd is op deze verordening. Bovendien vallen de subsidiabele activiteiten binnen het toepassingsgebied en de doelstellingen van verordening 1380/2013 (zie de artikelen 1 en 2 van deze verordening), wat maakt dat zij binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU vallen.

7. Regeldruk

Deze regeling heeft regeldrukeffecten. De regeldrukkosten voor de subsidiemodule bedragen in totaal € 26.422 voor de subsidieperiode en gaan gepaard met de aanvraag, uitvoering en eindverantwoording van activiteiten onder deze subsidiemodules. Dit is 0,29% van het totale subsidiebudget van € 9 miljoen. De berekening is gebaseerd op de inschatting dat 400 aanvragen worden ingediend.

Deze regeling zal worden aangeboden aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). ATR beoordeelt alle wet- en regelgeving op nut en noodzaak, minder belastende alternatieven, een werkbare uitvoering van de naleving van de regelgeving door de doelgroepen en het effect van regeldruk voor de beoordeling van met name de effecten van regeldruk die deze nieuwe regelgeving met zich mee zal brengen voor de doelgroepen. Vanwege het spoedeisende karakter van deze regeling in verband met de coronacrisis kan volstaan worden met het informeren van ATR na plaatsing van de regeling in de Staatscourant.

8. Uitvoering

De uitvoering van de subsidiemodule is in handen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze module wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.

9. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel III van deze regeling brengt dit tot uitdrukking. Hiermee wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn. Deze afwijking wordt gerechtvaardigd omdat dit aanmerkelijke ongewenste private nadelen voorkomt. De doelgroep is in hoofdlijnen al op de hoogte van de regeling en zal na publicatie voldoende tijd krijgen om een aanvraag voor te bereiden. Ook is er een ruime openstellingstermijn.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Verordening (EU) 2020/560 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 508/2014 en (EU) nr. 1379/2013 wat betreft specifieke maatregelen om de gevolgen van de Covid–19-uitbraak in de visserij- en aquacultuursector te beperken (PbEU 2020, L 130)

X Noot
2

Artikel 33, eerste lid, aanhef en onder d, verordening 508/2014

X Noot
3

De producentenorganisaties als bedoeld in artikel 14 van verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PbEU 2013, L 354)

X Noot
4

Zaalmink, Wim, Arie Mol en Arie Klok (2020). Kosten- en opbrengstenstructuur Nederlandse kottersector. Rapport 2020-039. Den Haag, Wageningen Economic Research. https://edepot.wur.nl/521034

Naar boven