Tiende wijziging Beleidsregel Natuur Overijssel 2017

Besluit: Gedeputeerde Staten d.d. 15 september 2020

Kenmerk: 2020/0252244

Inlichtingen bij: Anneloes Brunt

Telefoon: 038 499 78 27

E-mail: a.brunt@overijssel.nl

 

Kennisgeving

 

Besluit van Gedeputeerde Staten van Overijssel van 15 september 2020 tot vaststelling van wijzigingen in de Beleidsregel Natuur Overijssel 2017 (kenmerk 2020/0240392)

 

Gedeputeerde Staten van Overijssel,

 

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 2.2 en 2.7 van de Wet natuurbescherming;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 8 oktober 2019 hebben besloten beleidsregels over intern en extern salderen op te nemen in de Beleidsregel Natuur Overijssel 2017;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten de mogelijkheden tot extern salderen willen verruimen;

Besluiten de volgende wijzigingsregeling vast te stellen:

ARTIKEL I

 

A

 

In artikel 1.1 wordt onder verlettering van de onderdelen ee tot en met hh tot ff tot en met ii een onderdeel ingevoegd luidende:

 

  • ee.

    verleasen: extern salderen waarbij de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit tijdelijk geheel of gedeeltelijk aantoonbaar buiten gebruik wordt gesteld, ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een tijdelijke depositie gedurende een beperkte vooraf afgebakende periode;

B

 

Artikel 2.2.6 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Het twaalfde lid vervalt.

  • 2.

    Onder vernummering van het zesde tot en met het elfde lid tot het zevende tot en met twaalfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

     

    • 6.

      Gedeputeerde Staten ontvangen van het voornemen tot extern salderen van de saldo-ontvanger voorafgaand aan de aanvraag een melding met de gegevens van de saldo-ontvangende activiteit en saldogevende activiteit.

  • 3.

    In het achtste lid (nieuw) wordt “zesde lid” gewijzigd in “zevende lid”.

C

 

De toelichting op artikel 2.2.6 komt als volgt te luiden:

 

[Toelichting:

 

Lid 1:

De directe samenhang kan blijken uit een overeenkomst tussen partijen waarin is opgenomen dat de toestemming (deels) wordt ingetrokken ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit.

 

Lid 2 tot en met 4:

Zie toelichting bij artikel 2.2.5, lid 1 tot en met 3.

 

Lid 5:

Zie de toelichting bij artikel 2.2.5, lid 4. Ten opzichte van dat artikel is hier toegevoegd dat de saldogevende partij niet een bedrijf mag zijn dat deelneemt aan de stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij. De stoppersregeling Actieplan Ammoniak is landelijk gedoogbeleid op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. Vanwege de al langer lopende afspraken en de noodzaak van stikstofdaling mag er niet gesaldeerd worden met de bedrijven die stoppen op basis van de Stoppersregeling Actieplan Ammoniak (op 1 januari 2020).

 

Aangezien de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen niet de mogelijkheid biedt om een deel van de N-depositie te behouden ten behoeve van extern salderen is er voor gekozen om bij extern salderen, anders dan bij intern salderen, niet de mogelijkheid te bieden om maximaal 15% van de N-depositie te behouden. In dit lid is wel verduidelijkt dat een bedrijf dat meedoet aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen alleen extern kan salderen met het deel van het bedrijf dat niet meedoet aan de subsidieregeling.

 

Lid 6:

Om zicht te houden op de aanvragen die ingediend gaan worden met gebruikmaking van extern salderen willen Gedeputeerde Staten vooraf een melding ontvangen van de voorgenomen saldering. Deze melding dient de gegevens te bevatten van zowel de saldogever, de saldo-ontvanger en de N-emissies en N-deposities die bij de voorgenomen externe saldering zijn betrokken.

 

Lid 7:

Zie toelichting bij artikel 2.2.5, lid 5.

 

Lid 8:

Zie toelichting bij artikel 2.2.5, lid 6.

 

Lid 9:

Deze intrekking op verzoek van de saldogever, is noodzakelijk om te voorkomen dat de saldogevende partij alsnog het niet-gerealiseerde deel van zijn toestemming kan benutten, en daardoor een stijging van de depositie kan optreden. De intrekking van het toestemmingsbesluit van de saldogevende activiteit wordt in een afzonderlijke beschikking in samenhang met de saldo-ontvangende activiteit opgesteld.

 

Lid 10:

Zie toelichting bij artikel 2.2.5, lid 7.

 

Lid 11:

Om een stijging van de depositie te voorkomen, wordt de niet-gerealiseerde capaciteit uitgesloten van extern salderen. Om een daling te realiseren is bepaald dat 70% van de emissie van de saldogevende activiteit mag worden ingezet voor salderen na aftrek van de niet-gerealiseerde capaciteit.

 

Lid 12:

Zie toelichting bij artikel 2.2.5, lid 10, onderdeel c.

Dit artikel is relevant bij bedrijfsverplaatsingen die nodig zijn om de Natura 2000-doelen te halen. In het algemeen zullen bedrijven verder van Natura 2000-gebieden af worden geplaatst, maar dit kan ertoe leiden dat de depositie op andere (verder weg gelegen) Natura 2000-gebieden lokaal toeneemt. Dit kan dan worden opgevangen door 100% van de feitelijk gerealiseerde capaciteit te mogen inzetten om extern te salderen.]

 

D

 

Na artikel 2.2.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.2.6a Verleasen

  • 1.

    Artikel 2.2.6 is van overeenkomstige toepassing op verleasen, met uitzondering van het eerste en negende lid.

  • 2.

    Voor tijdelijke deposities van ten hoogste twee jaar kunnen Gedeputeerde Staten een natuurvergunning verlenen met gebruikmaking van verleasen.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen indien zij dat voor het project noodzakelijk achten.

  • 4.

    Er bestaat een directe samenhang tussen de tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit.

  • 5.

    Een aanvraag waarbij gebruik wordt gemaakt van verleasen, gaat vergezeld van een afschrift van een getekende overeenkomst tussen saldogever en saldo-ontvanger waarin:

    • a.

      de tijdelijke buitengebruikstelling van de saldogevende activiteit wordt gewaarborgd gedurende de looptijd van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit; en

    • b.

      saldogever verklaart in te stemmen met een tijdelijke beperking van zijn toestemming.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de saldo-ontvangende activiteit slechts mag plaatsvinden binnen de looptijd van de natuurvergunning en dat de start- en gereedmelding van deze periode door de saldo-ontvanger moet worden gemeld aan het bevoegd gezag.

  • 7.

    Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de natuurvergunning niet eerder in gebruik mag worden genomen dan nadat de saldo-ontvanger bij het bevoegd gezag heeft gemeld dat de saldogevende activiteit is gestaakt.

[Toelichting:

 

Lid 1:

Het eerste en negende lid van artikel 2.2.6 gaan uit van het definitief onmogelijk maken van de saldogevende activiteit door middel van het intrekken van de daarvoor verleende vergunning. Aangezien verleasen ziet op een tijdelijke depositie en het tijdelijk buiten gebruik stellen van een saldogevende activiteit is intrekking van de vergunning niet aan de orde.

 

Lid 2 en 3:

Van verleasen kan alleen gebruik gemaakt worden voor projecten die een tijdelijke depositie hebben van maximaal 2 jaar. Hier valt bijvoorbeeld een project onder met een aanlegfase van maximaal 2 jaar. Denk aan de aanleg van een windmolenpark, reconstructie van een weg of het bouwrijp maken van een bedrijventerrein. Op basis van het derde lid hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om in voorkomende gevallen op voorhand of met een afzonderlijk verlengingsbesluit (eventueel onder voorwaarden) een vergunning voor langere termijn te verlenen. Deze bevoegdheid kan worden gebruikt indien de initiatiefnemer naar het oordeel van Gedeputeerde Staten genoegzaam aantoont dat verlenging noodzakelijk is. Bijvoorbeeld een duurzaamheidproject waarbij de aanlegfase langer duurt dan 2 jaar.

 

Lid 4 en 5:

Aangezien verleasen een tijdelijke constructie is, wordt niet overgegaan tot intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit. Artikel 2.2.6, eerste lid, is daarom niet van overeenkomstige toepassing op verleasen . Met het vierde lid is beoogd te benadrukken dat er toch een rechtstreekse relatie moet bestaan tussen het project met een tijdelijke depositie en het tijdelijk buiten gebruik stellen van de saldogevende activiteit. Het is aan de initiatiefnemer om dit in de aanvraag genoegzaam aan te tonen.

 

De tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit wordt geregeld met een tijdelijke beperking van de toestemming. In de overeenkomst tussen saldogever en saldo-ontvanger stemt de saldogever hiermee in. Deze tijdelijk in te perken toestemming kan een natuurvergunning betreffen, maar het kan ook gaan om bijvoorbeeld een omgevingsvergunning, onderdeel milieu of natuur of melding Activiteitenbesluit.

 

In het geval de saldogever alleen beschikt over een melding Activiteitenbesluit en geen andere in de beleidsregel genoemde toestemmingen, is een tijdelijke beperking van deze toestemming alleen mogelijk met een nieuwe (ingeperkte) melding. De voordelen die gepaard gaan met de constructie van verleasen (het tijdelijk ter beschikking stellen van ruimte aan een ander, om deze vervolgens weer volledig zelf te gebruiken) kunnen hiermee vervallen. Namelijk wanneer op een later moment een nieuwe melding zou moeten worden ingediend om weer van de volledige ruimte gebruik te kunnen maken, waarbij de ingeperkte melding als referentiesituatie zal gelden. Deze vorm van verleasen met N-emissie van een saldogever met alleen een melding Activiteitenbesluit is om die reden niet in iedere situatie aan te raden, omdat het kan leiden tot een beperking van bestaande rechten.

 

Lid 6 en 7:

Het bevoegd gezag als bedoeld in deze bepalingen kan de gemeente of de provincie zijn. In de vergunning wordt opgenomen bij welk bevoegd gezag de saldo-ontvanger de meldingen moet doen.]

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 oktober 2020.

 

Zwolle, 15 september 2020

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter

de secretaris

Toelichting bij het besluit tot wijziging van de regeling

Algemeen

Met deze wijzigingsregeling maken Gedeputeerde Staten van Overijssel het mogelijk om volledig gebruik te maken van het instrument extern salderen. Daarbij wordt een nieuwe voorwaarde opgenomen, namelijk het indienen van een melding voorafgaand aan een vergunningaanvraag. Daarnaast introduceren Gedeputeerde Staten een nieuw instrument voor tijdelijke stikstofdeposities: verleasen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

A (artikel 1.1)

Met de introductie van artikel 2.2.6a over verleasen, was het nodig om een nieuwe definitie op te nemen. Verleasen is alleen mogelijk bij een tijdelijke stikstofdepositie. Daarin onderscheidt verleasen zich van regulier extern salderen.

B (artikel 2.2.6)

Bij de vaststelling van de provinciale beleidsregels over intern en extern salderen in het najaar van 2019 was er landelijke wetgeving in de maak om het innemen van dier- en fosfaatrechten bij extern salderen tussen private partijen mogelijk te maken. Provincies spraken af met het Rijk dat zij tot de inwerkingtreding van die wetgeving wel vergunningaanvragen met extern salderen in behandeling zouden nemen, maar nog niet definitief zouden verlenen. De wetswijziging bleek niet nodig te zijn. Daarom komt het voorbehoud voor extern salderen met veehouderijen nu te vervallen.

 

Nieuw is dat een initiatiefnemer die een voornemen heeft tot externe saldering, wordt verzocht zich vooraf te melden bij de provincie. Deze informatie kunnen provincies gebruiken in het kader van de gebiedsgerichte aanpak.

C (toelichting artikel 2.2.6)

Vanwege de introductie van een nieuw lid 6 in artikel 2.2.6, is de toelichting op dat artikel aangepast.

D (artikel 2.2.6a)

Onder voorwaarden is het mogelijk om stikstofruimte te verleasen. Initiatiefnemers met een tijdelijke depositie kunnen via een leenconstructie extern salderen.

Naar boven